Hoe het begon

Hoe het begon

Boskoop is het oudste en bekendste boomteeltgebied van Europa. De teelt van bomen volgens de geschriften rond vindt haar oorsprong 1220. In die tijd waren de Boskoopse boeren voornamelijk zelfvoorzienend: ze kweekten bomen die ze nodig hadden voor bijvoorbeeld heggen en windschutten. Van sierteelt was nog geen sprake.

Het gebied Boskoop behoorde destijds tot de adellijke vrouwenabdij van Rijnsburg. Deze Abdij streefde een vergroting en verbetering van haar boomgaarden na. Daardoor werd het aantrekkelijk om meer bomen te telen dan nodig was voor eigen gebruik. De Abdij heeft dan ook waarschijnlijk een belangrijke rol gespeeld bij het uitbreiden van de boomteelt. Het eerste bewijs van commerciële teelt van bomen, dateert van 10 november 1466. Toen stuurde Jan de Backer een rekening aan de abdij voor de levering van tien enten van appel- en perenbomen. Zonder het waarschijnlijk zelf te weten, legde hij hiermee de basis voor een belangrijke en specialistische bedrijfstak die Boskoop roem en glorie bracht. 

De rekening van Jan de Backer van 10 november 1466.

Unieke bodem

Het ontstaan en belang van de boomkwekerijen in Boskoop heeft alles te maken met de bodemgesteldheid in het gebied. Boskoop is, net als de rest van de huidige Randstad, ontstaan uit een -met een dikke veenlaag- bedekt moeras. In de tijd dat de Abdij van Rijnsburg de eigenaresse van Boskoop was, ontdekten de stedelingen dat dit veen, als het afgegraven en gedroogd was, de brandstof turf opleverde. Voor de stedelingen, die toen nog niet over kolen, olie of gas beschikten, was deze turf van groot belang. In eerste instantie werd rondom de steden de bovenste veenlaag afgegraven voor de turfwinning. Later werd er steeds dieper afgegraven. Bij veel steden ontstonden daardoor veenplassen. Een goed voorbeeld hiervan vormen de Reeuwijkse Plassen. Boskoop lag te ver weg voor de stedelingen die zich in die tijd alleen te voet verplaatsten. Hierdoor bleef het veen in Boskoop ongerept. Bovendien liet de Abdij van Rijnsburg geen vervening toe. Hier profiteert Boskoop nog altijd van, want de ongerepte veengronden van Boskoop vormen een perfecte voedingsbodem voor bomen en planten. 

Gouden tijden

Een aantal eeuwen lag de nadruk bij de teelt vooral op vruchtgewassen, zoals fruitbomen en -struiken. Boskoop en omgeving gold als fruitgaard van de Abdij. Tussen de fruitgaarden stonden  aardbeien die in de omliggende steden en dorpen werden verkocht.

Het verbod van de Abdij van Rijnsburg op het afgraven van turf heeft Boskoop geen windeieren gelegd. De vraag naar bomen en heesters nam in de Gouden Eeuw enorm toe. Boskoop profiteerde daar goed van, met name van de vraag naar rozen en buxus. 

Het boek ‘Boskoop, vijf eeuwen boomkwekerij’ van Aart Vuyk Sr. uit 1966 beschrijft de handel en wandel van de eerste handelaar op Engeland in de achttiende eeuw. Pieter Brakel (omstreeks 1756 geboren) was de zoon van zeer eenvoudige lieden. Na wat onderwijs op de dorpsschool kwam hij al jong bij zijn oom Jan van Nes in de boomkwekerij werken. Op latere leeftijd nam zijn oom hem mee op reis, vooral naar Rotterdam, waar hij op de markt en in het koffiehuis zaken deed met boeren en andere klanten van de Zuidhollandse eilanden en Zeeland. Pieter leerde daar wat meer beschaafde omgang en kreeg lust in reizen en handelen. Op 21-jarige leeftijd trouwde hij met de dochter van een welgestelde groentekweker uit Gouda en begon als zelfstandig boomkweker.

Spoedig begon hij ook handel te zoeken. In Rotterdam maakte hij kennis met kooplieden uit Engeland die hem aanraadden planten te gaan kweken, waar in Engeland veel vraag naar was. Deze raad volgde hij op en kreeg werkelijk afzet voor zijn producten naar dat land. 

Toen in 1781 de vierde zeeoorlog met Engeland uitbrak, liep het ook met Brakels export mis en de bomen die hij voor Engeland gekweekt had, waren ook in eigen land onverkoopbaar. Pieter Brakel werd als eerste exporteur geconfronteerd met een exportrisico, waarmee ook in later eeuwen menige Boskoopse exporteur zou kennismaken. 

Siergewassen
Rond 1860 kwam de versnelling naar de teelt van siergewassen. Dankzij reizen van plantkundigen naar ondermeer het Verre Oosten en andere delen van de wereld werden nieuwe plantensoorten geïntroduceerd. Kwekers legden zich toe op het kweken van heesters en vaste planten. Voornamelijk rhododendron, azalea, rozen en seringen en later ook coniferen. Het zeer uitgebreide sortiment dat in Boskoop gekweekt werd, verwierf internationaal bekendheid. Het fenomeen van de handelsreizigers kwam op. In de laatste helft van de 19e eeuw kwam in Nederland en daarmee in Boskoop de export van boomkwekerijproducten op gang. De Duitsers waren de eerste afnemers. Omstreeks 1890 begon ook de export naar de oostelijke staten van de USA. 

Sloten en smalle percelen
De boomkwekerijen lagen in Boskoop maar net boven het waterpeil. Om de kwekerijen droog te houden, groef men tussen de kavels het veen weg en deponeerde dit op het land. Op die manier ontstond aanvankelijk 2000 kilometer sloot. Pas na de oorlog kwam de aanleg van drainage (onderbemaling) op gang om het overtollige water af te voeren. Later werd het vervoer over water te ingewikkeld en daarmee te tijdrovend. Om die reden zijn ongeveer de helft van de sloten gedempt, smalle kwekerijen samengevoegd en ontsloten door nieuwe wegen. Toch wordt ook het Boskoop van nu nog gekenmerkt door de vele slootjes.

Grootste aaneengesloten sierteeltgebied ter wereld
Tegenwoordig is Boskoop met zo’n 1800 hectare kwekerij nog steeds één van de grootste aaneengesloten sierteeltgebied ter wereld en vinden de Boskoopse boomkwekerijproducten hun weg over de hele wereld. Een groot deel van de Boskoopse bevolking is dan ook werkzaam in de boomkwekerij en de daarmee samenhangende bedrijven. Denk daarbij aan exporteurs, transporteurs, toeleveranciers en dienstverleners.

Pot- en containerteelt
De Boskoopse veengrond is nog altijd belangrijk voor de Boskoopse boomteelt. Daarnaast speelt de pot- en containerteelt een belangrijke rol. Deze manier van kweken ontstond na de oorlog als reactie op de wensen van de markt. In die tijd groeide namelijk het aantal eigen huis- en tuinbezitters en gingen de inmiddels ontstane tuincentra de particuliere markt bedienen. Hierdoor werd het voor leveranciers en afnemers van boomkwekerijproducten een bezwaar dat bomen en planten alleen in winterrust konden worden verplant. Zo ontstond de potcultuur, oftwel de kweek van producten in potten en containers. In Boskoop worden deze containers meestal "potten" genoemd. De boom in pot, met daarin een aangepast grondmengsel, staat boven de grond en heeft geen contact meer met het veen. Via een computergestuurd buizenstelsel wordt de pot van water en voedingsstoffen voorzien. De Boskoopse bomen kunnen door deze teeltwijze het gehele jaar worden geleverd, behalve bij vorst.

Over de brug komen...

Naar verluid is het gezegde ‘Over de brug komen’ in het Boskoopse ontstaan. Een keer per jaar, direct na de aflevertijd, werden de schulden aan de Boskoopse middenstand, die voornamelijk aan de westelijke kant van de hefbrug gevestigd afbetaald. De boomkwekers uit Boskoop Oost kwamen dan letterlijk en figuurlijk over de brug!   

Meer weten over de geschiedenis van de boomkwekerij in Boskoop?

Lezen:
Boek ‘Boskoop vijf eeuwen boomkwekerij 1466-1966’ van Aart Vuyk Sr. Uitgave van Plant Propaganda Holland (PPH Boskoop), april 1966. 

Lezen en kijken:
Historische Vereniging Boskoop via www.hvboskoop.nl

Bezoeken en beleven:
Boomkwekerijmuseum. Openingstijden en meer informatie op www.boomkwekerijmuseum.nl